Symboliek

1. Wat maakt een kerkgebouw tot kerk?

Het bijzondere karakter van het bouwgenre kerk is al zeventien eeuwen lang bepaald door de wisselwerking tussen drie aspecten: functionaliteit, symboliek en sacraliteit. De onderlinge verhouding tussen deze componenten staat allerminst vast, maar ze zijn alle drie in meer of mindere mate onontbeerlijk voor de identificatie van een gebouw als kerk. Er is sprake van een dynamiek die varieert naar tijd, plaats en religieuze identiteit. De functionaliteit heeft betrekking op de praktische bestemming: een kerk is een ruimte waarin een christelijke religieuze gemeenschap bijeenkomt voor de viering van de eredienst. De symboliek slaat op de verwijzingen naar iets anders dan zichzelf, die een gebouw met deze functie oproept of aanreikt. De sacraliteit gaat over de afzondering van het gebouw van de gewone wereld door de exclusieve toewijding ervan aan God. Alle drie aspecten gaan intussen wel over een door mensenhand gemaakt gebouw, met een bepaalde vorm en materialiteit. In alle drie lagen bestaat er dus ook een specifieke correlatie met bouwvorm en materie.
In deze bijdrage gaat het over de symboliek in de architectuur. Dit zijn de ideeën, betekenissen, associaties die in het gebouw besloten liggen maar boven het gebouw zelf uitstijgen. Elk gebouw is meer dan zichzelf, omdat het altijd een culturele context reflecteert, zowel die van de makers als die van de gebruikers. Het gaat om betekenissen die aan een bouwwerk kunnen worden toegekend buiten de puur utilitaire functies. Zij kunnen er ingelegd zijn door de ontwerper of opdrachtgever, maar moeten vervolgens ook beleefd worden door de beschouwers en gebruikers. Die beschouwers hebben een eigen ruimte om het gebouw inhoudelijk te lezen. Afhankelijk van de persoon en de context kan die lezing flink afwijken van de intenties van de bouwers. We spreken daarom van het symbolisch 'potentieel' van architectuur. Symboliek is per definitie multivalent.
Speelt symboliek bij religieuze architectuur een andere rol dan de symbolische lading die alle bouwkunst eigen is? In ieder geval is het vermoeden op zijn plaats dat met de symbolische dimensie van een kerkgebouw een verder reikend veld van betekenissen wordt aangeboord dan met die van een bankgebouw of een parkeergarage. Een veld dat de grenzen van de ratio overschrijdt en dat in het metafysische domein doordringt. Maar ook die transcendente dimensie kan in andere bouwgenres voorkomen, bijvoorbeeld bij musea of sportstadions, die dan niet voor niets 'moderne kathedralen' genoemd worden. Is de symbolische dimensie van het kerkgebouw dan eerder een kwestie van gradatie?
In de volgende pagina's zal kort worden nagegaan in hoeverre de symbolische component van het kerkgebouw wellicht een heel eigen plaats in de architectuur inneemt. Dat gebeurt door enkele observaties over de historische ontwikkeling van de wisselwerking tussen functionaliteit, symboliek en sacraliteit in de kerkbouw en een korte schets van de huidige situatie.

2. Van symboliek naar sacraliteit

De eerste plaatsen waar christelijke gemeenschappen bijeenkwamen om de eredienst te vieren waren gewone 'bprofane' gebouwen, als huizen en bedrijfspanden. De architectonische vorm was indifferent voor de kerkelijke functie. Pas toen het christendom onder keizer Constantijn een erkende religie in het Romeinse Rijk werd (vanaf 313) konden er publieke, speciaal voor de christelijke liturgie ontworpen gebouwen worden opgericht. De keizers zorgden er voor dat dit grootse bouwwerken volgens de bekende typen van de basiliek of de centraalbouw werden.
Deze nieuwe situatie moet voor de Christenen niet probleemloos geweest zijn. Theologisch gezien verzette het christendom zich immers tegen de heidense cultus, waarbij een godheid in een door mensen gebouwde tempel verbleef en met bloedige offers gunstig gestemd moest worden. De viering van de gedachtenis aan Jezus' dood en aan de Verlossing had geen speciaal gebouw nodig. Zij kon overal plaatsvinden waar mensen zich in Christus verenigden. Het offer en de tempel waren geestelijke categorieën geworden, die op geen enkele wijze aan de materie gebonden waren.
Kortom: de vroegchristelijke kerken waren primair functionele gebouwen, zoals ook de huiskerken dat geweest waren. De basiliek moet een pragmatische keuze geweest zijn, want het aloude type van de langwerpige zuilenhal voldeed het beste aan de basiseisen voor de eredienst: het kon een - eventueel grote - gemeenschap een binnenruimte bieden waar op geordende wijze de Schrift kon worden gelezen en de eucharistie gevierd. Gezien het verzet tegen het heidense tempelidee konden deze gebouwen op zichzelf geen sacrale status hebben. De heiligheid was niet aan het gebouw gebonden, maar aan de vierende gemeenschap op het moment dat die Christus centraal stelde. Een tempel van mensen.
Maar dit was de theorie. In de antieke culturen was men gewend en gehecht aan heilige plaatsen: plekken of bouwwerken waar het goddelijke- voelbaar, maar liefst ook zichtbaar - aanwezig was. Ook de christenen maakten deel uit van deze cultuur, ondanks de strengprincipiële standpunten van sommige theologen.
Al in de vierde eeuw noemen christelijke auteurs de nieuwe kerkgebouwen met kennelijk gemak 'tempel' en in de beschrijvingen spat de heiligheid ervan af. Geen wonder: nu de eredienst veel luisterrijker gevierd kon worden dan in het verleden, in monumentale gebouwen die daarvoor een geëigend kader boden, kon de heiligheid van die liturgie het gebouw zelf niet onberoerd laten. Al binnen enkele generaties moeten de kerkgebouwen als net zo sacraal zijn ervaren als de oude tempels en hun arealen. Met het betreden van het kerkgebouw kwam de gelovige in een andere wereld, die zich door de exclusieve toewijding aan God en zijn heiligen onderscheidde van de alledaagse, profane omgeving.
Welke rol speelde de architectuur in dit proces? Het is nauwelijks denkbaar dat naast de liturgie niet ook het gebouw een factor van belang was in de stap tussen functionaliteit en sacraliteit. De basilica was op zichzelf een bouwtype uit de profane bouwtraditie. Maar door de bestemming voor de christelijke eredienst kunnen bekende architectonische vormen wel degelijk een nieuwe betekenis hebben gekregen. Zo vertoont de kerkbasilica een opvallende nadruk op de lengteas tussen de hoofdingang aan de ene korte zijde en de halfronde apsis aan de andere. Die lengteas wordt vaak nog versterkt door een atrium, een omsloten voorplein voor de ingang, dat uitsluitend dient om de gelovigen over te leiden van de alledaagse wereld buiten naar de binnenruimte van de kerk. Ook valt het op dat alle vroegchristelijke kerken op de oost-westas zijn gebouwd. Hetzij de apsis, of de voorgevel staat naar het oosten gericht, zodat het ochtendlicht ofwel via de façade ofwel via de apsisvensters de binnenruimte verlicht. Ook deze lichtregie benadrukt de lengteas, evenals de colonnaden en de bovenvensters van de zijwanden van het middenschip. In functionele zin is de altaarruimte het eindpunt van de lengte-as, want het altaar, en de zetel van de bisschop of voorganger stonden in of voor de apsis. De kerkruimte vormt een symbolische weg. Het eindpunt ervan wordt gesacraliseerd door de lichtval en - al spoedig - door een monumentale afbeelding van Christus of heiligen in het apsisgewelf.
De symbolische architectuur draagt in feite de verbinding tussen functionaliteit en heiligheid, die in de liturgie besloten ligt, op het gebouw over. De lengteas verwijst naar het licht, en leidt naar het sanctuarium waar Christus op het altaar, maar ook in een monumentale afbeelding op de boog of het gewelf van de apsis present is. De lichtsymboliek is een bekend fenomeen in tal van oude religies, maar wordt in het christendom speciaal op de wederkomst van Christus als licht vanuit het oosten betrokken. Het sanctuarium herinnert - misschien tegen wil en dank - aan de cella van de tempels, waar het godenbeeld stond opgesteld. Gelukkig vormde de tempel van Jeruzalem, waar ook het oostelijk licht axiaal binnenstroomde en Jahweh (onzichtbaar) present was in het Heilige der Heiligen, een Bijbels alibi voor de kerkenbouwers, die niet graag de verdenking van heidense afgoderij op zich wilden laden.
De in architectonische kenmerken vervatte en door de liturgie gevoede symboliek brengt zo de koppeling tot stand te brengen tussen de functionele bestemming van het kerkgebouw en de sacrale status ervan. Die status wordt in de volgende eeuwen bevestigd door de liturgie van de kerkwijding, waarin het gebouw door gebeden en rituelen nadrukkelijk wordt geheiligd.
In wezen laat de functionaliteit van het kerkgebouw een grote mate van ruimte en vrijheid aan de architectonische vorm. Dit blijkt wel uit het feit dat vanaf het begin naast de langwerpige basilica ook centraal-aangelegde ontwerpen in zwang waren. Ook daarin was doorgaans een duidelijke oost-westas aanwezig, maar verder konden dezelfde liturgische functies kennelijk net zo goed in een centraalbouw als in een basilica plaatsvinden.
Bekende voorbeelden als de Hagia Sophia in Constantinopel (Istanbul) en de San Vitale in Ravenna, beide uit de zesde eeuw, laten zien dat in een gecentraliseerd bouwtype de symboliek van de lichtas vanuit het oosten evengoed sterk aanwezig is. Vanzelfsprekend zet het middelpunt van de koepel een totaal ander ruimtelijk accent dan de horizontale lengteas van de basilica. De verticaliteit en het centraliserende effect van de koepel richt de ruimte-ervaring niet naar het eindpunt van een route, maar vanuit het middelpunt naar boven. In de klassieke bouwkunst had deze architectuur een religieus gekleurd symbolisch karakter. In de kerkbouw was die symboliek echter puur ruimtelijk. Ze viel niet samen met de gerichtheid op het liturgische centrum, dat net als in de basilica in een apsis aan de oostzijde lag. Die ambiguïteit zal er de reden voor zijn dat de centraalbouw - vooral in het Westen - de basiliek nooit heeft kunnen verdringen als ideaal kerktype. Voor doopkapellen ligt dat anders, want daar bevond zich het doopbekken midden onder de koepel.
De architectonische symboliek in de vroegchristelijke kerkbouw is dus verankerd in algemene associaties, die ouder zijn dan het christendom. De route naar een eindpunt en de blik naar de hemel leiden beide ook naar een lichtbron: de apsis en de koepel. Het verbaast niet dat deze beide punten in het kerkinterieur ook belangrijke dragers van een godsvoorstelling zijn geworden. Maar de meest specifiek christelijke betekenis krijgt deze constellatie toch door de aanwezigheid van het liturgische centrum in het horizontale eindpunt van de ruimte.
Deze symbolische trekken van het kerkgebouw moeten zo herkenbaar zijn geweest, dat ze geen uitdrukkelijke toelichting nodig hadden. Zelden, en dan bijna terloops, laten vroegchristelijke auteurs zich uit over symboliek in de sacrale architectuur. Uit de stad Milaan zijn niettemin twee getuigenissen overgeleverd die aantonen dat al in de vierde eeuw architectonische vormen met een een bewuste symbolische bedoeling in de sacraalbouw werden toegepast. Zo zegt bisschop Ambrosius van Milaan (374-397) dat hij een kerk in zijn stad laat bouwen in de vorm van een kruis, als een verwijzing naar 'de triomf van Christus'. De doopkapel in dezelfde stad droeg een inscriptie uit dezelfde periode die de bezoeker verklaarde dat de kapel in een achthoek was gebouwd omdat de dopelingen herboren worden op de achtste dag, de dag van de Verrijzenis en van de vervolmaking.
Zo heeft het christelijke kerkgebouw zich als een eigen bouwgenre in de vierde eeuw uitgekristalliseerd vanuit een wisselwerking tussen functionaliteit, symboliek en sacraliteit. Geen enkele van die aspecten was dominant, maar ze versterkten en vervulden elkaar. Op het eind van die eeuw was er niemand meer die een kerk niet als kerk kon herkennen en ervaren.

3. Overmacht van symboliek

Daarmee begint de geschiedenis van een bouwgenre dat qua duur en continuïteit zijn gelijke in de westerse wereld niet kent. Tegelijk is er in de loop van zeventien eeuwen sprake van een enorme dynamiek in vormen, typen en stijlen. Die staat niet los van veranderingen in de correlatie tussen de drie bepalende eigenschappen van het kerkgebouw als genre.
In de middeleeuwen was de kerkbouw de meest innovatieve sector van de bouwkunst. De onmiskenbare tendens van het vroegchristelijk via het romaans naar de gotiek is die van een toenemende overheersing van de symbolische dimensie. Dat blijkt uit teksten, die het kerkgebouw steeds meer gaan beschrijven als dragers van symboliek. Het is een directe afbeelding van het Hemelse Jeruzalem en voert de gelovigen naar het licht. Al zijn onderdelen zijn zinnebeelden van goddelijke mysteries of eigenschappen. Getallen en geometrische vormen worden alle voorzien van theologische duidingen. Zo staat het twaalftal standaard voor de apostelen die de kerk dragen, de cirkel voor de eeuwigheid en de gelijkzijdige driehoek voor de ene, drievuldige God. De eeuwige harmonie van getallen in de kosmos is in het kerkgebouw aanwezig. Het blijkt ook uit de architectuur zelf, die steeds minder vanuit de functionaliteit gedreven lijkt te worden, maar vanuit de behoefte om onalledaagse, zelfs onaardse vormen te creëren. Dat geldt voor de gekoppelde stenen volumes van het romaans en in hoge mate voor de ijle framebouw van de gotiek waarvan de wanden uit gekleurd glas bestaan. Het blijkt ook uit het uiterlijke profiel van de kerkgebouwen, waarin torens een steeds prominentere rol vervullen. Torens mogen een functionele betekenis hebben voor het dragen van de klokken, zij zijn toch vooral symbolische markers van de stad Gods op aarde en zinnebeelden van de menselijke behoefte tot contact met de hemel. Ook het klokgelui is trouwens allesbehalve een puur praktisch gebruik.
In zekere zin is de middeleeuwse ontwikkeling dus een verstoring van de vroegchristelijke balans door de allesoverheersende rol van de symbolische dimensie. De reactie daarop komt nog in de middeleeuwen zelf, vooral van de kant van strenge kloosterorden als de Cisterciënzers en van de bedelorden. De vroege Italiaanse bedelordekerken zijn simpele torenloze hallen met houten overkappingen, geheel gericht op de functionaliteit voor de prediking, de eucharistie en het koorgezang.
De sacraliteit van het kerkgebouw staat bij dat alles nooit ter discussie. Bestemd voor de liturgie, gewijd door de bisschop en architectonisch bepaald door basale zinnebeelden als de gerichtheid op het oosten, blijft een kerk bij uitstek een heilige ruimte, of het nu een kale bedelordehal is of een hoogstrevende gotische kathedraal. Tegelijk is de escalatie van symbolisch potentieel in de middeleeuwen alleen te verklaren vanuit een gedrevenheid het sacrale karakter van het kerkgebouw maximaal ervaarbaar te maken.

4. Reactie en contra-reactie

Ook in de geschiedenis van de kerkbouw is de Reformatie een enorme breuk. De rijke, door symboliek overladen kerkgebouwen horen voor de hervormers tot de misstanden van de katholieke kerk. Ge&imul;nspireerd door de Bijbel en door de afkeer van de heidense tempel in het vroege christendom, willen zij terug naar een puur functioneel kerkgebouw, waarvan vorm en esthetische kwaliteit irrelevant zijn. In de verschillende reformatorische stromingen heeft dit principiële standpunt zeer diverse gevolgen gehad, maar de Calvinistische stromingen in Nederland hingen de meest rigide opvattingen aan.
De Calvinisten ontdeden de kerken vaak hardhandig van altaren, beelden, en andere voorstellingen. Met het altaar verdween het hart van de sacraliteit uit het gebouw, met de beelden en kaarsen werd alles opgeruimd dat de aandacht voor de directe overdracht van het Woord Gods in de weg stond. De interieurs kregen een nieuwe inrichting met de preekstoel als centrum, waardoor de aloude gerichtheid op het oosten en het idee van de ruimte als een symbolische weg teniet werden gedaan. Het lijkt erop dat met het sacrale karakter ook de symbolische lading van de architectuur buiten werking gesteld moest worden. In de nieuwbouw van protestantse kerken blijkt weliswaar dat symboliek nooit uit de architectuur verdwijnt, maar het is duidelijk dat er sprake is van grote behoedzaamheid, in het bijzonder als het gaat om de delicate koppeling tussen symboliek en sacraliteit.
Daarmee is een eigen kerkelijke bouwkunst, die in de middeleeuwen de architectuur nog volledig beheerste, overbodig en onpassend geworden.
Niettemin zijn er ook na de Reformatie prachtige kerken gebouwd, zowel protestantse als katholieke, die hun schoonheid niet in de laatste plaats aan de symbolische dimensie van de architectuur danken. In de katholieke wereld had men steeds meer het voor-reformatorische verleden nodig om sacraal te kunnen bouwen. De in neostijlen gebouwde kerken van de negentiende eeuw vormen een heldhaftige poging om de tijd terug te draaien en door middeleeuwse symboliek en vormentaal geloofwaardige sacrale ruimten te scheppen. Architecten als Le Corbusier bewijzen dat ook in eigentijdse vormen een nieuwe dynamiek tussen functionaliteit, symboliek en sacraliteit tot stand kan komen. In Rome bouwde de niet-christelijke architect Richard Meier een kerk die vol is van traditionele symboliek in moderne vormen en materialen. De kerk Dio Padre Misericordioso kenmerkt zich door drie schalen die volgens Meier de Drievuldigheid symboliseren maar ook de zeilen van het schip der kerk. De kerk ligt op de oost-westas en heeft een uitgekiende lichtregie.

5. Tussen verleden en toekomst

De geschiedenis van de kerkbouw bevestigt wat ook vanuit de psychologie en de antropologie verklaard kan worden, namelijk dat zorgvuldig vormgegeven plekken een grote steun voor veel mensen zijn om de eredienst tot een godontmoeting te maken. Theologie, en zelfs liturgie zijn kennelijk niet genoeg om een geslaagde kerk tot stand te brengen. Dit inzicht hebben sommige vroegchristelijke scherpslijpers en ook de reformatoren miskend.
Terwijl de Lutherse en Anglicaanse tradities in dit opzicht veel van het katholieke verleden met zich meegenomen hebben, draagt de Calvinistische kerkbouw in Nederland vanouds een impliciet anti-katholiek karakter. Het kerkgebouw is weliswaar bestemd voor de eredienst en mag daartoe waardig vormgegeven zijn, het heeft geen heiligheid op zichzelf. Het is een gebedshuis of 'bedehuis' en geen Godshuis. Een 'sacraal' gebouw zou menselijke overmoed jegens God zijn. Het kerkgebouw blijft in wezen profaan, en daardoor zal ook de symboliek per definitie beperkt moeten blijven. Omdat de kerk een louter functionele bestemming heeft voor de samenkomsten van de gemeente, kan na de dienst de deur op slot.
De katholieke traditie ziet het kerkgebouw niet alleen als huis van de gemeente en van de gemeenschappelijke eredienst, maar als permanente aan God gewijde plek. Daarom moet het gebouw een eigen uitdrukkingskracht hebben, waarvan het teken- en symboolkarakter verwijst naar een bovenaardse werkelijkheid. Deze is weliswaar met de liturgie verbonden, maar is met de realisatie van die liturgie niet uitgeput. Daarom moet de kerk ook buiten de diensten in principe open zijn, als plaats van individuele devotie en bezinning, en vanouds ook als schuil- en asielplaats.
Een verrassing van de laatste decennia is de stille toenadering tussen de protestantse en katholieke tradities van liturgie en religiositeit in Nederland, die onafhankelijk van de fluctuaties van de officiële 'oecumene' gestaag doorgaat. In de katholieke eredienst is de lezing van de Bijbel en de verkondiging in woord en voorbede sterker geworden en tot een communicatieve factor uitgegroeid. In tal van protestantse denominaties is het monopolie van de preek afgelost door een gestructureerde liturgie waarin ook de tafel een belangrijke rol inneemt. De persoonlijke devotie in stille hoeken en de opkomst van kaarsen en beelden getuigen in protestantse kerken ook van een nieuwe synthese met katholieke tradities.
Uit de historische ontwikkeling en uit de toenadering van verschillende tradities tekent zich een nieuw ideaal voor het kerkgebouw in deze tijd af. Dit kan zowel voor de beleving van en omgang met kerken uit het verleden gelden, als voor het bouwprogramma van nieuwe kerken.
De architectuur en aankleding van het kerkgebouw mogen een eigen taal spreken, die zich verenigt met die van de verkondiging, het ritueel en de muziek op het moment van de voltrekking van de liturgie, maar die ook daarbuiten werkzaam blijft. Het kerkgebouw ontleent zijn zin aan de liturgie van de gemeenschap, maar is als betekenisvolle ruimte niet aan de tijd van de voltrekking van de liturgie gebonden. Ook het kerkgebouw 'verkondigt'. Het is weliswaar niet noodzakelijk voor het heil maar wel heilzaam.
Met die meerwaarde plaatst het kerkgebouw zich ook in het publieke domein. Niet alleen de ingewijden van de gemeente kunnen er baat bij hebben, maar ook buitenstaanders, passanten, toeristen. Het kerkgebouw moet regelmatig open en toegankelijk zijn als spirituele pleisterplaats en plek van belangeloze ontmoeting.
De toegevoegde waarde ontleent het kerkgebouw aan het verwijzende karakter van zijn architectonische vormen en aan zijn sacrale identiteit. Dit laatste hoeft niet alleen het resultaat te zijn van een formele wijdingsritus, maar kan ook meer overdrachtelijk opgevat worden. Het ideaal uit de jaren zestig en zeventig van de afgelopen eeuw, dat een kerkgebouw zo 'gewoon' mogelijk moest zijn - een praktische zaal voor bijeenkomsten of een gezellige huiskamer voor de gemeente - is door de tijd sneller ingehaald dan het op grote schaal gerealiseerd kon worden. Al gauw is het besef teruggekomen dat een kerk juist haar anders-zijn moet uitstralen, een wijkplaats voor de gewoonheid moet zijn, en onschuldig moet blijven aan de druk van de commercie en materieel succes. Vanaf het begin van de christelijke kerkbouw heeft deze ambitie hoge eisen gesteld aan de architectuur en navenant betekenisvolle gebouwen opgeleverd.

6. Na 2000

In Nederland komen nog maar weinig nieuwe kerken tot stand. Daarentegen verliezen talrijke kerkgebouwen hun originele functie. Maar ook bij kerken die voor een religieuze bestemming in gebruik blijven, zoeken de beheerders naar nieuwe vormen van exploitatie. In alle gevallen staat de verhouding tussen functionaliteit, symboliek en sacraliteit ter discussie, ook al gebeurt dat lang niet altijd expliciet. In vele gevallen speelt de behoefte een rol, om iets van de meerwaarde van een kerkgebouw in stand te houden, zowel bij bestaande kerken als in de nieuwbouw. Het bouwen van een nieuwe kerk in een verregaand geseculariseerde cultuur is echtere per definitie een experiment.
De in dit boek gepresenteerde recente bouwprojecten van gebedshuizen in Nederland bevestigen aan de ene kant de continuïteit van oude tradities onder respectievelijk protestanten en katholieken, maar laten ook nieuwe oplossingen zien, die voor het aspect van de symboliek heel verschillend uitpakken.
Wat het eerst opvalt, is dat in de eigenlijke cultusruimte een onderdeel van een groot geheel geworden is. In vele gevallen beslaat de cultusruimte minder dan de helft van het hele complex. De meeste plaats is gereserveerd voor niet-cultische ruimten, die dienen voor gemeenteopbouw, sociaal verkeer en logistieke voorzieningen. De 'kerkzaal' mag van al die activiteiten het geestelijke hart zijn, in sommige ontwerpen kost het enige moeite de eigenlijke cultusruimte als zodanig te herkennen.
Een hoofdthema in de presentatie van de projecten is de multifunctionaliteit. Een centrale doelstelling lijkt te zijn dat het complex gemakkelijk verhuurbaar is voor andere dan kerkelijke doeleinden. Of dit een ideële visie van eigenaren en architecten op het kerkgebouw van de toekomst is, of vooral een noodgedwongen concessie blijft in het midden. Flexibiliteit van inrichting en een zeker verblijfscomfort horen in ieder geval bij deze doelstelling.
Feit is, dat door de inbedding van de cultusruimte in een sociaal-cultureel complex en door de multifunctionele gebruikswens, de aspecten van symboliek en sacraliteit onder druk staan. Daarbij komt het banale feit dat de budgetten doorgaans klein blijven en symboliek de naam heeft duur te zijn. Toch is het opvallend dat in verreweg de meeste gevallen gezocht is naar mogelijkheden om het gebouw een toegevoegde waarde met een geestelijke dimensie te geven.
De sterke continuïteit van de rooms-katholieke traditie kenmerkt de Petrus en Pauluskerk in Maassluis. Hier is niet bezuinigd op symboliek, maar - misschien daardoor - wel op andere aspecten van het gebouw. Na de mislukte experimenten met multifunctionele kerkruimten in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, is hier weer gestreefd naar een gebouw dat zijn sacrale status ook in de vorm onomwonden uitstraalt. Daartoe zijn tal van symbolische motieven toegepast, die bijdragen aan het onalledaagse karakter van dit gebouw. De sculpturale vormen, het verticale torenachtige element van het exterieur, de vaste inrichting en de lichtval van het interieur zetten een krachtig accent op de liturgische functie van de hoofdruimte, waaraan de aangrenzende ontmoetings- en dienstruimten ondergeschikt blijven. De boodschap van al deze tekenachtige elementen is eenduidig: dit is een Huis Gods.
Het grootste contrast levert De Nieuwe Liefde in Amsterdam, dat zich zelfs aan de definitie van een kerkgebouw onttrekt. Ook de protestantse, Joodse en Islamitische voorbeelden zijn primair op een praktische functionaliteit en gemeenteopbouw gericht. Ze zijn primair Huis van de Gemeente. In de meeste gevallen laat de religieuze bestemming en identiteit zich in de vormgeving kennen. Mennorode bij Elspeet doet dit het minst, en staat daarmee consequent in de doopsgezinde traditie van anti-sacrale bedehuizen. Ook de synagoge en de moskee staan in een non-sacrale traditie, maar zowel de Amsterdamse sjoel als het Islamitisch Cultureel Centrum hebben enkele heldere, historisch bepaalde symbolische elementen die ze als religieuze ruimte kenmerken. Enerzijds de kast met de Thorarollen die de ruimte oriënteert naar Jeruzalem en de naar de menorah/verwijzende pui- en ruimtevorm, anderzijds de gebedsnis in de richting Mekka en aan de buitenzijde de rijzige minaret.
De traditionele terughoudendheid van de Nederlandse protestanten tegenover symboliek in combinatie met de eigentijdse gebruikseisen van multifunctionaliteit en flexibiliteit laat in principe slechts een beperkte ruimte voor religieuze beeldtaal. In een historisch perspectief zou dit kunnen heten: terug naar de huiskerk. Toch laten alle ontwerpen zien dat ook na 2000 een kerkelijk complex zich wil onderscheiden van andere, 'profane' sociale of culturele centra.
Zo hebben verschillende nieuwe kerken torens, vanouds het meest karakteristieke externe kenmerk van een kerkgebouw. In Urk is de preekstoel aangebracht in de voet van de klokkentoren. Voor wie wil, ligt de symboliek voor het grijpen: de verkondiging van het Woord Gods verwijst naar een bovenaardse werkelijkheid. De klokken dragen die verkondiging uit naar buiten en de toren is een wegwijzer naar de hemel. Vrijwel alle kerkzalen onderscheiden zich intern van de overige ruimten door een grotere hoogte en een weloverwogen lichtval. Sinds het begin van de christelijke kerkbouw leent de lichtregie zich voor een symbolische duiding. Daarin lijkt niets veranderd, hoe uiteenlopend de oplossingen ook zijn, en ook al speelt de kosmische oriëntatie in de calvinistische traditie al eeuwenlang geen rol meer.
Net als bij de sjoel en moskee geven de nieuwe protestantse gebedshuizen op subtiele wijze blijk van hun bijzondere bestemming. Een uitdrukkelijke pretentie van heilige plaats is hun vanouds vreemd. Maar juist in een geseculariseerde context blijkt symboliek een zinvol middel om de onderscheidende, verheffende en spirituele functie van een kerkgebouw vorm te geven. Kenmerkend voor het ontwerp voor RijnWaarde is de onnadrukkelijke manier waarop dit gebeurt. De kruisvorm in de gevel, het getal drie in de volumes en de binnenruimte met een duidelijke lengteas naar het licht laten ruimte voor een specifiek christelijke interpretatie. De stilteruimte is bestemd voor individuele reflectie en herinnert daarmee aan een - - in de protestantse kerkbouw ongebruikelijke - zijkapel. Maar niemand wordt tot symbolische duidingen gedwongen.
De vraag blijft in hoeverre deze terughoudende symboliek binnen een niet meer exclusief kerkelijk gebruikspatroon in de toekomst nog een koppeling naar een 'sacrale ervaring' kan bewerkstelligen. Tekens werken alleen wanneer ze herkenbaar zijn, en dat wordt steeds moeilijker in een situatie waarin het symbolisch repertoire van de kerkbouw steeds meer zijn context verliest. Elke goede architect en serieuze opdrachtgever weet echter dat de transcendente belevenis van een gebouw haar basis heeft in authentieke schoonheid. De principes van schoonheid, goedheid en waarheid kunnen ook het kerkgebouw van de toekomst een spirituele wijkplaats maken.

Sible de Blaauw
Radboud Universiteit Nijmegen